|
Ingrepen
Prothesechirurgie
1. Inleiding
Binnenkort moet u een besluit nemen, of misschien heeft
u inmiddels deze beslissing al genomen, om zich aan uw versleten knie
te laten opereren. Hierbij wordt Uw versleten kniegewricht vervangen door
een kunstkniegewricht, een zg. knieprothese. U wilt immers de pijn kwijt,
die Uw versleten kniegewricht u bezorgt.
Soorten prothesen:
voorbeelden van soorten prothesecomponenten
2.
Hoe zit uw kniegewricht in elkaar?
Het kniegewricht wordt gevormd door drie botuiteinden.
Dit zijn de onderkant van het dijbeen, de bovenkant van het scheenbeen
en de knieschijf.Zowel het uiteinde van het dijbeen als zijn de bovenkant
van het scheenbeen bedekt met een gladde laag kraakbeen. Ook de achterzijde
van de knieschijf is hiermee bedekt. Dit kraakbeen is elastisch, kan schokken
en stoten opvangen. Zolang dit oppervlak van goede kwaliteit is, kan dit
gewricht tot op hoge leeftijd pijnloos functioneren. Tussen de botuiteinden
van het dijbeen en het scheenbeen bevinden zich in elke knie een meniscus
aan de binnen- en aan de buitenzijde. De meniscus functioneert als een
lager, die de wrijving vermindert.
Bij
sommigen echter, wordt de kraakbeenlaag zo slecht van kwaliteit, dat deze
gaat afslijten. Deze slijtage wordt artrose genoemd. Meestal betreft het
gewone slijtage op oudere leeftijd, maar soms ook op jongere leeftijd.
Oorzaken van slijtage in de knie zijn ondermeer een ongeval, een botbreuk,
overgewicht of een reumatische ontsteking. Ook als uw meniscus verwijderd
is, verhoogt dit de kans op versnelde slijtage.
3.
Wat houdt artrose (slijtage) in?
3.1 Gewrichtskraakbeen.
Tengevolge van slijtage wordt het gewrichtskraakbeen minder elastisch
en droogt uit. Er komen scheurtjes in en het wordt onregelmatig. Hierdoor
verliest het zijn gladheid.
3.2 Botwoekeringen.
Niet alleen het kraakbeen ondergaat veranderingen, maar ook het bot. Aan
de randen van het gewrichtsoppervlak ontstaan botwoekeringen, zoals te
zien is op onderstaande röntgenfoto. Hierdoor worden de fraaie gladde
oppervlakten in het kniegewricht misvormd. Er ontstaat een ruw oppervlak
met vaak een standsafwijking van het onderbeen. (X-of O-beenstand).

3.3 Gewrichtskapsel.
Dit wordt dikker en stugger, waardoor het gewricht nog stijver wordt.
3.4 Kniespieren.
Doordat deze spieren niet meer normaal functioneren worden zij korter,
waardoor de kracht en de omvang van deze spieren afnemen.
4. Klachten van een versleten kniegewricht.
4.1 Pijn.
Pijn is de belangrijkste klacht van slijtage in een kniegewricht. De pijn
wordt meestal in de gehele knie gevoeld. Maar ook wel alleen aan de binnenzijde,
de buitenzijde of achter de knieschijf. In het begin is er alleen pijn
bij het opstaan na een periode van rust. Dit noemt men de "startpijn"
(na een paar stappen wordt de pijn meestal minder). Bij toename van de
slijtage kan de pijn ook in rust blijven bestaan. Men wordt dan ook ‘s
nachts wakker van de pijn.
4.2 Stijfheid.
Deze wordt aanvankelijk vooral na de nachtrust gevoeld, de zogenaamde
"ochtendstijfheid". Deze stijfheid in de knie neemt geleidelijk
aan toe. De patiënt krijgt problemen met het aantrekken van kousen
en schoenen. Kunstjes worden verzonnen om dit toch alleen te kunnen doen.
4.3 Standsafwijking.
Er kan zich een X-of O-beenstand ontwikkelen, afhankelijk van de plaats
van de slijtage. De ernst van de slijtage wordt mede vastgesteld door
röntgenfoto’s en zonodig met een kijkoperatie.
4.4 Moeite met lopen.
Bij het lopen wordt men aanvankelijk geplaagd door startpijn en ochtendstijfheid.
Bij ernstige slijtage loopt de patiënt voortdurend mank met pijn.
Op den duur zijn de klachten zo heftig, dat bij het lopen een stok of
een kruk gebruikt moet worden. De X-of O-beenstand van de knie kan een
instabiel gevoel geven.
4.5 Fietsen.
Fietsen gaat vaak veel beter dan lopen.
5. Voordelen van een operatie.
Als fysiotherapie, medicijnen, een brace of injecties
niet meer afdoende zijn, is een operatie nog de enige oplossing. De pijn,
die U voor de operatie had, zal vrijwel altijd verminderd of zelfs verdwenen
zijn. Soms is het de eerste maanden nog enigszins gevoelig, maar na 1
jaar is meer dan 90 % van de patiënten tevreden. De stijfheid van
de knie verbetert weliswaar ook, maar het gewricht wordt nooit meer zo
soepel als het is geweest.
6. Wat houdt de operatie in?
Men kan opteren voor een halve of een volledige prothese.
Men heeft echter tal van verschillende combinaties (behoud van kruisbanden,
bedekken van de knieschijf, al dan niet met scharnier,...) welke deels
op voorhand kan bepaald worden doch vaak enkel tijdens de operatie (modulariteit
van de knieprothese).
Halve prothese
Naast de totale knieprothese bestaat er ook een ander
type van knieprothese namelijk de unicondylaire knieprothese of halve
knieprothese. Hier wordt alleen het aangetaste kraakbeen vervangen aan
de binnenkant van de knie door een nieuwe beweegbare meniscus uit polyethyleen.
Deze heeft enkele belangrijke voordelen ten opzichte van een totale knieprothese,
maar de indicaties zijn beperkt en er moet aan enkele voorwaarden voldaan
zijn.
zie verder
Totale prothese

De operatie wordt ook wel een "totale knieprothese-operatie"
genoemd.
Bij deze operatie worden de versleten uiteinden van het dijbeen en scheenbeen
vervangen door metalen prothesedelen.
Daartussen
komt een plastic schijfje, dat de spanning tussen de prothesedelen in
stand houdt en de wrijving vermindert.
Soms is er alleen de slijtage aan binnenzijde of buitenzijde van het gewricht.
In die gevallen kan volstaan worden met een "halve knieprothese".
7. Voorbereidingen voor de operatie.
7.1 Poliklinisch onderzoek bij de anesthesist.
Nadat de orthopedisch chirurg samen met U tot een operatie heeft besloten
is het van belang om een goed beeld te hebben van uw gezondheidstoestand.
Daarom is het nodig dat iedere patient poliklinisch door de anesthesist
gezien wordt, zonodig wordt dan bloedonderzoek verricht, een ECG gemaakt
of nog een andere specialist (bijvoorbeeld internist, longarts of cardioloog)
ingeschakeld. Tevens wordt u tijdens dit bezoek aan de anesthesist ingelicht
over de verschillende vormen van anesthesie die in uw specifieke geval
toegepast kunnen worden, en over de gang van zaken rond de operatie
7.2 Tandarts.
Het is sterk aan te bevelen uw gebit voor de operatie door de tandarts
of mondhygiëniste te laten beoordelen. Het gebit dient ten tijde
van de operatie schoon (gesaneerd) te zijn. Een ontsteking in het gebit
kan via het bloed naar een gewricht met een prothese overslaan.
Als u na de operatie een tandheelkundige ingreep moet
ondergaan is bescherming van uw knieprothese d.m.v. antibiotica aan te
bevelen in de volgende situaties: indien u :
- suikerziekte heeft en daarvoor insuline moet spuiten,
- korter dan 2 jaar geleden aan de knie geopereerd bent,
- een niet goed functionerend afweer- (of immuun)systeem
heeft, zoals bij ziekten als reuma en SLE of bij bepaald medicijngebruik
(prednison),
- eerder een gewrichtsinfectie gehad heeft.
Als beschermend antibioticum kan dan het medicijn amoxycilline
ingenomen worden, eenmalig 2 gram per tablet of drankje, ongeveer 1 uur
voorafgaand aan de tandheelkundige behandeling.
Indien u allergisch bent voor amoxycilline valt de keuze op clindamycine
(dalacin) tabletten; eenmalig 2 tabletten van 300 mg; eveneens ongeveer
1 uur voorafgaand aan de tandheelkundige behandeling.
Deze medicijnen zijn in Nederland alleen op recept van uw (tand)arts bij
de apotheek verkrijgbaar. Antibiotische bescherming is niet nodig bij
'schone' operaties.
Bron: AAOS (American Academy of Orthopedic Surgeons) en ADA (American
Dental Association) juni 2001.
7.3 Bloedverdunnende tabletten.
Indien u gewend bent bloedverdunnende tabletten te gebruiken, moet u dit
aan uw specialist melden. Om ongewenste bloedingen tijdens en na uw operatie
te voorkomen, zult u deze tabletten een aantal dagen voor uw operatie
niet meer mogen innemen. Hoeveel dagen tevoren, hangt af van het soort
bloedverdunner die u gebruikt. Dit bespreekt u op de polikliniek met uw
orthopeed.
7.4 Krukken en Lopen.
Na de operatie zult u met krukken moeten lopen. Vóór de
opname wordt u alvast naar uw eigen kinesist verwezen om dit te
leren. U dient namelijk zelf zorg te dragen voor krukken ten tijde van
de opname. Deze krukken laat u door uw eigen kinesist afstellen.
Dit hoort u allemaal op de voorlichtingsbijeenkomst.
7.5 Nazorg.
Vóór de opname, wordt uw ontslag uit het ziekenhuis al met
u besproken. Er wordt dan bekeken, of er nog extra hulp geregeld moeten
worden. Dit kan zijn thuiszorg, een TOP-kamer of een tijdelijke opname
in het verpleeghuis, waar dan een indicatieverklaring voor nodig is.
7.6 Voorlichtingsbijeenkomst.
Enkele weken voor de operatie wordt u uitgenodigd om de voorlichtingsbijeenkomst
bij te wonen, waar u van alles hoort over de operatie en wat ermee samenhangt.
U krijgt dan informatie van een orthopedisch chirurg, een kinesist
en een verpleegkundige van de orthopedische afdeling over de komende
gebeurtenissen.
7.7 Vragen.
Wij adviseren U nadrukkelijk om tijdens deze bijeenkomst uw vragen te
stellen. Het is raadzaam om thuis alvast alle, ongetwijfeld bij u opgekomen
vragen, op te schrijven. De ervaring heeft namelijk geleerd, dat op het
moment dat u vragen kunt stellen, deze meestal weer bent vergeten!
8. De opname.
Op de dag van Uw opname wordt u naar de verpleegafdeling
gebracht waar U door een verpleegkundige wordt ontvangen. Deze verpleegkundige
heeft met u en uw familie een opnamegesprek.
Met name uw thuissituatie wordt besproken en u krijgt aanvullende informatie
over het verloop van Uw opname.
De verantwoordelijk verpleegkundige is het aanspreekpunt voor u en uw
familie. Met vragen kunt u altijd bij hem of haar terecht.
Het behandelteam bestaat uit de orthopaed, de verpleegkundige en de kinesist.
Zij zorgen er samen voor, dat u zo goed en snel mogelijk herstelt en dat
de opname zo kort mogelijk hoeft te duren.
9. De verdoving.
Deze operatie kan tegenwoordig ook op hogere leeftijd
nog worden uitgevoerd. Een gedeeltelijke verdoving door middel van een
ruggenprik heeft vaak de voorkeur. Hierbij is alleen het onderlichaam
verdoofd. Deze manier van verdoven is een veilige methode. Eventueel kan
er nog een licht slaapmiddel bij gegeven worden. Dan ziet of hoort u weinig
tot niets van de operatiekamer en de operatie. De operatie kan meestal
ook, als u dit wenst, onder volledige narcose worden uitgevoerd. Dit kunt
u bespreken met de anaesthesist, met wie u voor de operatie nog een gesprek
heeft.
10. De operatie.
De operatie zelf duurt meestal 60–90 minuten. U
ligt op uw rug op de operatietafel en door diverse steunen wordt Uw knie
in positie gehouden. Er wordt een strakke band om het bovenbeen aangelegd.
Hierdoor zal er bijna geen bloed meer in het been aanwezig zijn. Het opereren
kan dan veel overzichtelijker gebeuren.
De gebruikte operatieve wond gaat via verticale snede van ± 20
centimeter langs de binnenzijde van de knieschijf. De slechte oppervlakken
van het dijbeen en scheenbeen worden met mallen op maat pas klaar gemaakt.
De prothesendelen worden vervolgens met botcement respectievelijk in het
dij-en scheenbeen vastgeplakt. Een plastic schijfje tussen deze metalen
delen zorgt voor een soepele en stabiele beweging in het kniegewricht.
Tijdens en soms ook nog een paar dagen na de operatie
krijgt U antibiotica om de kans op infecties te verkleinen. U heeft altijd
een infuus waardoor vocht of bloed toegediend kan worden. Dit is nodig
om het verlies tijdens de operatie aan te vullen. Bij de wond komt een
slangetje door de huid naar buiten om wondvocht af te voeren, een zg.
"drain". Direct na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer
gereden, waar gedurende de eerste uren intensieve bewaking plaatsvindt.
Soms kunt u na de operatie misselijk worden, waarvoor medicijnen toegediend
kunnen worden. Zodra u weer in een stabiele situatie verkeert, wordt u
naar de verpleegafdeling teruggebracht.
11. Na de operatie.
11.1 Fysiotherapie.
Onder leiding van de kinesist bengelt U de 1e dag na de operatie
met benen buiten bed.
In bed wordt Uw knie op een elektrische oefenbank vanzelf doorbewogen.
Vanaf de 2e dag zet U de eerste stappen weer met een rekje of met twee
elleboogs-krukken.
De eerste twee tot drie dagen zijn de vervelendste dagen, daarna gaat
U snel vooruit. Indien nodig wordt U ook geleerd hoe U trappen moet lopen.
11.2 Ontstolling.
Tijdens Uw opname en nog gedurende 6 weken na de operatie krijgt U medicijnen
om thrombose tegen te gaan. Bij thrombose ontstaat er een ongewenst stolsel
in een bloedvat, meestal in de kuitader.
12. Wanneer mag u naar huis?
Tussen de 5e en 8e dag kunt u meestal naar huis. Dit natuurlijk
alleen als de wond er goed uitziet en als u thuis (eventueel met hulp)
voor uzelf kunt zorgen. Afhankelijk van uw persoonlijke woonsituatie zult
U thuis nog enige tijd hulp nodig hebben.
13. Thuis.
Wanneer U eenmaal thuis bent, zult U ook Uw "nieuwe
knie’’ moeten koesteren. In het begin zal het gebied rondom
de wond nog warm en dik aanvoelen. Eventueel kunt U dan de knie koelen
met ijs. Het kan raadzaam zijn een aantal hulpmiddelen aan te schaffen
en tevens voorzorgsmaatregelen te nemen:
13.1 Een wc-potverhogerzorgt er voor, dat u niet te
diep gaat zitten. Dan hoeft de knie niet te ver gebogen te worden.
13.2 Een kousenaantrekker geeft veel gemak omdat u
minder hoeft te bukken. Dan hoeft de knie niet te ver gebogen te worden.
13.3 Een verlengde arm/klem ('helping hand') geeft
meer armslag, zodanig, dat u niet extra voorover hoeft te reiken.
13.4 Een douchekrukje is handig om met minder gevaar
voor uitglijden te douchen.
13.5 Handvatten in het toilet om zich op te kunnen
trekken of te laten zakken.
13.6 Met instapschoenen kunt u rechtopstaande uw schoenen
aantrekken met behulp van een lange schoenlepel.
13.7 Een hoge stoel zorgt er voor, dat u niet te diep
gaat zitten. Dan hoeft U de knie niet te ver te buigen.
13.8 Een autostoel is meestal laag en gemaakt in de
vorm van een kuip. Het is zinvol om een kussen in deze kuip te leggen
om hoger te zitten. Dan hoeft u de knie niet te ver te buigen.
13.9 Een hoog bed zorgt er voor, dat u niet te diep
gaat zitten. Dan hoeft de knie niet te ver gebogen te worden.
13.10 Drempels in huis zijn vaak hindernissen waar
u gemakkelijk over kunt struikelen. Let daar dus op!
13.11 Losse vloerkleedjes zijn vaak hindernissen waarover
u gemakkelijk kunt uitglijden. Haal ze dus weg!
14. Fysiotherapie thuis.
Na ontslag wordt de fysiotherapie thuis altijd voortgezet
door de kinesist in uw woonplaats. Dit wordt door uw kinesist in
het ziekenhuis geregeld. De kwaliteit van het lopen zal zo nog verder
worden verbeterd. Er worden U oefeningen geleerd om de spierkracht, beweeglijkheid
en bloedsomloop te verbeteren.
15. Leefregels voor de eerste 6 weken na de operatie.
15.1 Houding in bed.
Gebruik geen kussen onder de knie. De knie blijft dan zo recht mogelijk,
wat het lopen gemakkelijker maakt.
15.2 Opstaan uit bed.
Eerst in bed een paar maal de knie buigen en strekken om de stijfheid
te verminderen.
15.3 Staand draaien.
Bij het draaien in staande houding moet de voet goed opgetild worden.
15.4 Krukken.
De eerste vier weken na de operatie loopt u met 2 krukken. Daarne probeert
u thuis met 1 kruk te lopen. Voor langere afstanden buiten gebruikt u
zonodig 2 krukken. Tussen de 4e en 8e week vermindert u het gebruik de
krukken steeds verder. Na ongeveer acht weken loopt u zonder krukken.
Overleg bij twijfel met uw kinesist.
15.5 Fietsen.
U mag fietsen op een hometrainer als de hechtingen verwijderd zijn. Het
fietsen kan alleen maar als de beweeglijkheid van de knie voldoende is.
Als u zonder krukken kunt lopen en de knie voldoende kunt buigen, mag
u ook buiten fietsen.
15.6 Instappen in een auto.
Ga eerst op de autostoel zitten met de benen buiten de auto. Vervolgens
brengt U de benen één voor één in de auto.
15.7 Zelf autorijden.
Dit doet u pas na overleg met uw kinesist.
16. Complicaties.
Ondanks alle zorg, die aan de operatie wordt besteed,
kunnen er soms toch complicaties optreden. Als u één van
de onderstaande verschijnselen bemerkt moet u niet contact opnemen met
uw huisarts maar wel met de behandelend chirurg of ziekenhuis.
16.1 Nabloeding.
In de eerste 2 weken na de operatie kan een lekkend bloedvat ervoor zorgen
dat bloed zich ophoopt in de knie. Soms komt er bloed door de wond naar
buiten . Het gewricht wordt rood, erg dik en pijnlijk.
16.2 Infectie.
Ontsteking van de operatiewond kan het gevolg zijn van irritatie door
de bloeduitstorting die altijd optreedt. Men spreekt van infectie als
de ontsteking veroorzaakt door bacteriëen. Als er een infectie bij
de prothese optreedt, kan dit leiden tot loslating van de prothese. Men
onderscheidt vroege- en late infecties.
Vroege infectie ontstaat kort na de operatie. Kenmerken
hiervan zijn: plaatselijke roodheid, zwelling en pijn. De operatiewond
kan (opnieuw) wondvocht of pus lekken. Meestal lukt het in dit stadium
de infectie te genezen met antibiotica per infuus. Er dient zo spoedig
mogelijk een dokter naar uw knie te kijken.
Late infectie komt soms pas na maanden of jaren voor het
eerst aan het licht. Kenmerk hiervan is voornamelijk pijn in het kniegebied
bij het in beweging komen en bij lopen.
Besmetting met bacterieën kan tijdens de operatie
opgelopen worden, zonder bekende oorzaak. Dit is de reden dat elke patiënt
tijdens de operatie antibiotica krijgt toegediend. Ook kan een infectie
elders in het lichaam via de bloedbaan overslaan naar de prothese, waardoor
dit gewricht ontstoken raakt.
Vroeg of laat: een infectie is een zeer ernstige complicatie.
Het kan zelfs aanleiding zijn om de prothese te verwijderen zonder dat
een nieuwe kan worden geplaatst. De infectie dient eerst volledig te zijn
genezen, iets waarvoor vaak diverse operaties nodig zijn.
Voorkomen is beter dan genezen. Onder bepaalde omstandigheden,
zoals bij tandheelkundige ingrepen, is bescherming van uw knieprothese
belangrijk.
16.3 Koorts.
De eerste week na operatie is dit vaak het gevolg van de operatie zelf,
bij aanhoudende temperatuursverhoging echter een teken van ontsteking.
16.4 Lekken van de wond.
Als uw wond spontaan (wond-)vocht gaat lekken na ontslag uit het ziekenhuis
is dit een reden om contact op te nemen met de afdeling orthopedie.
16.5 Trombose.
Bij trombose ontstaat er een (ongewenst) stolsel in een bloedvat, meestal
in de kuitader. Het onderbeen is hierbij pijnlijk, zwelt op en wordt licht
rood en glanzend. Het is mogelijk dat trombose ontstaat ondanks antistollingsmedicijnen!
Bij verdenking op trombose kunt u contact met uw huisarts opnemen of met
de verpleegafdeling orthopedie.
16.6 Ontwrichting van de knieschijf.
Ontwrichting of luxatie van de knieschijf is een zeldzame complicatie
die gepaard gaat met pijn. Het been is niet meer te belasten. Uw knieschijf
zal in het ziekenhuis recht gezet moeten worden. Hiervoor neemt u contact
op met de huisarts.
16.6 Loslating van de prothese.
De levensduur van een knieprothese is niet onbeperkt. Van de prothese
mag verwacht worden dat deze zo'n 15 jaar meegaat, als er zich geen complicaties
voordoen. Het kan dan nodig zijn de prothese te vervangen. Een tweede
operatie is altijd een grotere ingreep en het revalidatieproces duurt
ook langer.
Als er zich een infectie voordoet, en dit uit zich soms pas jaren na operatie,
kan dit ook een aanleiding zijn tot vervroegd verwijderen van de prothese.
Zoals gemeld kunnen infecties elders -aan het gebit bijvoorbeeld- infectie
van uw knieprothese veroorzaken. Het verdient daarom aanbeveling uit voorzorg
antibiotica in te nemen als u een tandheelkundige ingreep moet ondergaan.
16.7 Zenuwbeschadiging.
Er is een kleine kans, dat ten gevolge van de operatie een zenuw bij de
knie uitgerekt of beschadigd wordt. Er ontstaat dan een gedeeltelijk gevoelloze
en of een verlamde voet. Meestal is deze zenuwuitval van tijdelijke aard.
Zodra u een gevoelloze en of een verlamde voet bemerkt, meldt u dit aan
uw orthopedisch chirurg.
16.9 Pijn rondom de knieschijf.
Soms spoort de knieschijf niet goed of de knieschijf blijft heel gevoelig.
Het buigen en strekken is dan erg pijnlijk. Zodra u dit bemerkt, meldt
u dit aan uw orthopedisch chirurg.
17. Na-controle.
De na-controle vindt plaats in de polikliniek met een
Rx controle..
18. Hoe lang gaat een knieprothese mee?
Knieprothesen hebben bijna dezelfde goede resutaten als
heupprothesen. Ook de levensduur van een knieprothese is echter niet onbeperkt.
Loslating is de belangrijkste reden voor het falen van een prothese. Als
zich geen andere complicaties voordoen mag van de prothese verwacht worden
dat deze zo'n 10-15 jaar meegaat alvorens deze los gaat zitten. Dit ontstaat,
omdat de prothese zelf vesleten raakt. De kenmerken hiervan zijn: pijn
bij op gang komen en belasting, terwijl deze klachten er eerder niet waren.
Het kan dan nodig zijn de prothese te vervangen. Een tweede operatie is
altijd een grotere ingreep en het revalidatieproces duurt ook langer.
Loslating kan echter ook het gevolg zijn van een infectie
in de knie. Deze infectie kan zowel direct na de operatie als pas na jaren
duidelijk worden. Als er zich een infectie voordoet kan dit aanleiding
zijn tot (vervroegd) verwijderen van de prothese. Vaak zijn meedere operaties
nodig om de infectie te behandelen. Een infectie is daarom een zeer ernstige
complicatie.
Zoals gemeld kunnen infecties elders -aan het gebit bijvoorbeeld-
infectie van uw knieprothese veroorzaken. Het verdient daarom aanbeveling
uit voorzorg antibiotica in te nemen als u een tandheelkundige ingreep
moet ondergaan.
19. Leven met een knieprothese.
Wat U van de nieuwe knie kunt verwachten is van veel persoonlijke
factoren afhankelijk. Een normaal kniegewricht kan niemand u meer teruggeven.
Het is een kniegewricht met mechanische beperkingen; als bepaalde bewegingen
niet verder kunnen, dan is dit ook zo! Forceer niets en overleg zonodig
met Uw orthopedisch chirurg.
Ook zullen de beperkingen van een kunstknie u door de
kinesist in het ziekenhuis worden uitgelegd. Over het algemeen is
de aanpassing geen probleem: uit onderzoek bleek dat 95% van de mensen
na 1 jaar geen problemen heeft met de prothese.
In verband met beschadigingen wordt het afgeraden de kunstknie
in het werk en in de sport zwaar te belasten. Uw orthopedisch chirurg
kan u hier weliswaar over adviseren, maar voorzichtigheid blijft echter
altijd geboden.
20. Jaarlijkse controle.
Er bestaat een kans, dat uw prothese loslaat op de lange
termijn. Dit is dan ook de reden, dat u wordt geadviseerd jaarlijks uw
kniegewricht te laten controleren op de polikliniek orthopaedie. Een belangrijk
onderdeel van deze controle is een röntgenfoto.
21. Verdere informatie en vragen.
Voor meer informatie kunt U zich wenden tot uw orthopedisch
chirurg of de verpleegkundige op de afdeling orthopedie.
Mocht u, eenmaal weer thuis, nog vragen hebben of zich ongerust maken
over het geopereerde been, neem dat gerust contact op met de verpleegafdeling
of met de polikliniek orthopedie:
Revalidatie
na een knieprothese.
De kinesist begeleidt u na uw operatie. Hij (of zij) leert u weer
lopen met krukken; leert u traplopen met krukken als dat nodig is; oefent
allerlei dagelijkse handelingen met u (b.v. sokken en schoenen aantrekken)
en neemt tenslotte met u een aantal oefeningen door.
De dag voor de operatie:
Deze dag wordt gebruikt om alvast het een en ander te bekijken. Zo meet
de kinesist de beweeglijkheid van de knie. Tevens wordt gekeken
of u het lopen met krukken al een beetje onder de knie hebt. (U bent namelijk
met uw eigen kinesist thuis al gaan oefenen voor de operatie!)
U krijgt ook een folder met daarin allerlei oefeningen en leefregels die
betrekking hebben op de situatie na de operatie. Deze folder werkt als
een soort geheugensteuntje, want alle oefeningen worden ook met u doorgenomen.
De dag van de operatie:
Deze dag is kinesistisch gezien een rustige dag. U krijgt de gelegenheid
even bij te komen van uw operatie.
De eerste dag na de operatie:
De eerste dag na de operatie wordt gestart met buig- en strekoefeningen
voor de knie. Deze oefeningen worden gedaan om de spierkracht te trainen,
de beweeglijkheid te vergroten en de bloeddoorstroming te verbeteren.
Een hulpmiddel om de knie te buigen en te strekken is de Kinetec. Dit
is een electrisch apparaat waar uw been op komt te liggen. Het zorgt ervoor
dat uw knie langzaam gestrekt en gebogen wordt. Het zorgt er dus voor
dat uw knie weer goed kan buigen en strekken na de operatie. De eerste
dag gaat u ongeveer drie keer per dag 30 minuten op de Kinetec.
De tweede dag na de operatie:
De tweede dag na de operatie komt u al uit bed met behulp van de kinesist.
U mag dan staan en ook al een klein stukje lopen. Bij het staan en lopen
mag u direct met uw volle gewicht uw geopereerde knie belasten. U maakt
in eerste instantie gebruik van een rekje. Deze geeft u veel steun en
zekerheid.
Als u zich de eerste dag na de operatie al heel goed voelt, mag u op die
dag al proberen uit bed te komen en een klein stukje te lopen.
Ook de Kinetec wordt deze dag nog intensief gebruikt.
De derde dag na de operatie:
Deze dag wordt bij het lopen het rekje ingewisseld voor krukken. Met krukken
kunt u beter uw normale looppatroon benaderen. Krukken geven echter ook
minder steun. Bij het lopen met krukken krijgt u in eerste instantie nog
de nodige hulp van uw kinesist.
Ook het buigen en strekken van de knie wordt wederom geoefend. Het kan
zijn dat daar de Kinetec voor gebruikt wordt.
De vierde dag na de operatie:
Het doel van deze dag is dat u op het einde van deze dag in staat bent
om veilig en zelfstandig met krukken te lopen. Het lopen met krukken wordt
deze dag dus intensief geoefend. Behalve aandacht voor het lopen, breidt
de kinesist ook het aantal oefeningen uit.
De vijfde dag na de operatie tot de dag van ontslag:
In deze dagen worden een aantal dingen geoefend.
Het lopen met krukken wordt net zo lang geoefend tot u dit veilig zelfstandig
kunt doen. De loopafstand wordt uitgebreid en de kinesist corrigeert
(indien nodig) uw looppatroon.
Als u thuis een trap heeft, wordt het traplopen met krukken met u geoefend.
Alle oefeningen worden met u doorgenomen, geoefend en eventueel gecorrigeerd.
Tenslotte worden een aantal situaties geoefend die u in het dagelijkse
leven kunt tegenkomen en die u problemen zouden kunnen opleveren. U moet
hierbij bijvoorbeeld denken aan: 'hoe trek ik mijn sokken aan'; 'hoe raap
ik iets van de grond' etc..
Ontslagcriteria:
U mag het ziekenhuis verlaten -doorgaans na 5-10 dagen- als u aan de volgende
criteria voldoet:
1. U kunt veilig, zelfstandig een klein stukje lopen
met krukken.
2. Indien u thuis een trap heeft, moet u veilig, zelfstandig kunnen traplopen
met krukken.
3. Alle oefeningen moeten duidelijk zijn.
4. Er mogen zich geen complicaties meer voordoen. (bijvoorbeeld het lekken
van de wond)
Als u aan deze criteria voldoet mag u naar huis. U krijgt
dan van de arts een verwijzing mee voor fysiotherapie. De kinesist
in het ziekenhuis zorgt ervoor dat uw kinesist thuis alle belangrijke
informatie krijgt.
Naar huis en dan?
Uw eigen kinesist thuis oefent verder met u om uw spieren te versterken,
de beweeglijkheid verder te verbeteren, het gebruik van de krukken af
te bouwen en u te begeleiden bij het zo goed mogelijk algeheel herstellen.
Houding in bed: het is aan te raden in bed geen
kussen onder uw knie te leggen. Dit kan er namelijk voor zorgen dat uw
knie naar verloop van tijd niet meer volledig kan strekken.
Fietsen: u mag fietsen als u goed zonder krukken
kunt lopen. Vaak is dat na ongeveer acht weken. Voorwaarde om te kunnen
fietsen is dat u uw knie voldoende ver (± 110) moet kunnen buigen.
Zwemmen: u mag zwemmen als u goed zonder krukken
kunt lopen en als de wond niet meer lekt. Vaak is dat na ongeveer acht
weken.
Autorijden: u mag autorijden als u hiervoor toestemming
hebt gekregen van uw arts of van uw kinesist.
Ontstekingsverschijnselen:
Na het oefenen of na andere activiteiten mag geen pijn, zelling, toename
van temperatuur en roodheid ontstaan. Ontstaan deze symptomen toch, dan
dient u een koudepakking te gebruiken. Deze koudepakking kunt u bij de
apotheek kopen. Bij gebruik van een koudepakking dient u altijd een dunne
tussenlaag (bv. een theedoek) tussen de huid en de koudepakking te houden.
De koudepakking moet u 15 minuten op de knie laten liggen.
U mag om de twee uur koelen. De koudepakking moet als verlichtend worden
ervaren. Blijven de bovengenoemde klachten aanwezig, neem dan contact
op met
|